FCI Rasstandaard

FCI – Standard Nr. 245 / 07. 08. 1998 / NL CESKY FOUSEK 

Vertaling: Door C.F.Rutten Oorsprong: Het vroegere Tsechoslowakije, nu de Tsjechische Republiek. DATUM VAN PUBLICATIE DER GELDENDE ORIGINELE STANDAARD: 21. 05. 1963. Gebruik: Voorstaande hond.
KLASSIFICATIE FCI: Groep 7, Voorstaande honden. Sectie 1.3 Continentale voorstaande honden, type Griffon. Met werkproef. 

KORT GESCHIEDKUNDIG OVERZICHT: De Cesky Fousek was in de tijd voor de eerste wereld oorlog de meest gebruikte ruwharige voorstaande hond in de regio van het huidige Tsjechië en Slowakije.
De eerste wereldoorlog en de gevolgen hiervan veroorzaakte in de jaren twintig bijna het uitsterven van Cesky Fousek. Er werd een begin gemaakt met het herstel van het ras. 
Als basis voor dit herstel werd gebruik gemaakt van enkele oorspronkelijke honden, door gericht te fokken heeft men het huidige type Cesky Fousek verkregen. 
Op dit moment neemt het ras de tweede plaats in onder alle in gebruik zijnde jachthonden in Tsjechie en de Slowaakse Republiek. 

ALGEMENE VERSCHIJNING: De Cesky Fousek is een middelgrote, ruwharige, edele voorstaande hond, wiens verschijning kracht en uithoudingsvermogen uitstraalt. 
Het is een veelzijdig bruikbare hond die beschikt over aangeboren eigenschappen voor zowel veld, water en bosarbeid. 
Ondanks zijn roofdierscherpte is hij makkelijk te hanteren en zeer aanhankelijk naar zijn baas. 

HOOFD: Het droge, iets smalle en lange hoofd is hoog op de hals geplaatst. 
De snuit is iets langer dan de schedel en de neusrug is matig gewelfd.(Ramsneus) 

BOVENSCHEDEL: Schedel: Het bovenste deel van het voorhoofd en schedel zijn matig gewelfd en licht afgerond, bij reuen iets breder dan bij de teven.
De wenkbrauwen zijn duidelijk en markant, zodanig dat ze de indruk wekken van hoekigheid en diepere oogkassen tonen.
Het achterhoofdsbeen is gering ontwikkeld.
Stop: Matig verlopend, maar merkbaar naar het voorhoofd. 

GEZICHTSSCHEDEL: Neus: Breed met open en gevoelige neusvleugels. De kleur van de neus is altijd donkerbruin.
Vang: Wordt matig smaller vanaf de ogen tot de neuspunt.
Lippen: Tamelijk sterk ontwikkeld; sluiten de vang elastisch af, waarbij de bovenlippen matig overhangen.
Kaken / Tanden: Kaken krachtig, tekenen zich goed af en zijn goed bespierd. Sterke tanden, volledig schaargebit.
Ogen: De amandelvormige ogen tonen een vriendelijke uitdrukking en duiden op een scherpzinnige natuur. De ogen moeten diep liggen, donker barnsteen- tot donker kastanjekleurig zijn. De oogleden sluiten volledig en strak tegen het oog en zijn goed ontwikkeld; van grijszwarte kleur.
Behang: Hoog en breed aangezet, naar de punt toe merkbaar versmallend. De lengte van het behang reikt tot twee derde van de wangen en zijn matig afgerond. Ze moeten dicht tegen het hoofd aanliggen. 

HALS: Middenlang met goed ontwikkelde bespiering, toch droog en hoog tegen de schoft aangezet. De nek is matig gewelfd. 

LICHAAM: Rug: De korte, stramme rug verloopt van de goed ontwikkelde schoft naar de croupe.
Lendenen: Kort, in verhouding breed en matig gewelfd.
Croupe: Matig aflopend, voldoende breed en doelmatig lang.
Borst: Samen met het schouderblad, van voren gezien, heeft het de vorm van een Lier.
De ribbenkorf moet ovaal zijn en in breedte in verhouding met het gehele lichaam. De borstdiepte moet minstens tot de ellebogen reiken.
De voorborst moet goed ontwikkeld zijn. Van opzij gezien, moet het borstbeen duidelijk zichtbaar zijn. De borstkorf wordt gevormd door goed gewelfde ribben, over de totale lengte goed ontwikkeld.
Buik: Moet iets opgetrokken zijn om een goede beweging mogelijk te maken, mag echter niet een magere indruk geven. 

STAART: Het heiligbeen moet zodanig liggen, dat de bespiering niet van invloed is op de staartdracht die recht of licht omhoog gedragen wordt. In het verlengde van de rugbelijning. Is middelsterk en wordt tot drie vijfde lengte ingekort. 

LEDEMATEN VOORHAND: Schouders: Het schouderblad tekent zich door de goed ontwikkelde bespiering af; de schouderligging moet goed schuin zijn en vormt een stompe hoek met de opperarm.
Ellenbogen: Moeten vast aansluiten en goed bespierd zijn.
Onderarm: Vertikaal en recht, met uitgesproken, droge bespiering.
Voormiddenvoet: Moet in verhouding kort zijn, bijna vertikaal staan en slechts licht naar voren gericht.
Voorvoeten: Compact, hebben de vorm van een afgeronde lepel, met goed gewelfde dicht tegen elkaar liggende tenen en sterke nagels, donkergrijs tot zwart van kleur. De voetzolen zijn dik en hard, volledig gepigmenteerd. Tussen de tenen bevind zich een merkbare verschrompelde rest van een zwemvlies. 

ACHTERHAND: Bekken: Voldoende lang.
Bovenbeen: Breed, met goed ontwikkelde bespiering.
Onderbeen: Het schuin naar achteren geplaatste onderbeen moet een goede hoeking vertonen, die een vloeiende beweging mogelijk maakt.
Sprong: Niet te hoog aangezet, droog, met een lang en matig uitstekend hielbeen.
Achtermiddenvoet: Bijna loodrecht geplaatst, kort en uitgesproken sterk.
Achtervoeten: Van dezelfde vorm als de voeten voor; voorkomende Hubertusklauwen worden verwijderd. 

GANGWERK: De beweging moet volkomen regelmatig zijn, zowel in draf als stap, waarbij de rugbelijning vast blijft, waarbij de voetafdrukken zich in draf praktisch dekken. 

BEHARING HAAR: De beharing bestaat uit drie haarsoorten:
• De zachte, dichte onderwol, 1,5 cm lang, verhindert het doordringen van vocht naar de huid; in de zomer valt deze bijna helemaal uit.
• Het dekhaar is 3-4 cm lang, doelmatig hard en ruw. Goed aanliggend.
• De grannen zijn 5-7 cm lang, bijzonder hard en recht. Markant zijn zij vooral aan de voorborst, bovenbelijning, flanken en schouders.
Aan de voor- en achterbenen is het haar aan de voorzijde korter en ruw, aan de achterzijde langer en vormt een bevedering. De staart mag aan de onderzijde geen borstel vertonen.
Beharing aan het hoofd: Aan de kin zowel aan de lippen bevind zich langer en zachter haar, vormt een baard die typisch is voor dit ras.
Het haar aan de wenkbrauwen is markant, schuin naar boven gericht. Het voorhoofd, bovenschedel en bakken zijn met korter ruw haar bedekt. 
Het behang is met korte, zachte, gladde, beharing bedekt. 

KLEUR: De toegestane kleuren zijn:
• Donkerschimmel met of zonder bruine platen.
• Bruin met gemêleerde aftekening aan voorborst en aan onderste delen van de ledematen.
• Bruin zonder iedere verdere aftekening. 

GROOTTE en GEWICHT :
Schofthoogte: Reuen : 60 – 66 cm, Teven : 58 – 62 cm.
Gewicht : Reuen : Minstens 28 kg, Maximum 34 kg. Teven : Minstens 22 kg, Maximum 28 kg. 

FOUTEN: Iedere afwijking van voornoemde punten moet als fout aangemerkt worden, waarvan de waardering in juiste verhouding tot de graad van de afwijking moet staan.
• Onjuiste verhouding tussen de lengte van het lichaam en de schofthoogte.
• Kort, wigvormig of rond hoofd.
• Uitpuilende ogen. Andere dan in de standaard genoemde oogkleur.
• Te laag aangezet of te lang behang.
• Te sterke hals, te kort met losse keelhuid.
• Weinig uitgesproken schoft.
• Steile croupe.
• Onvoldoende ontwikkelde voorborst, onvoldoende aangeduid borstbeen.
• Slappe- of hazenvoeten. Te veel beharing op de voeten.
• Te fijn haar, te kort of te lang.
• Baart en wenkbrauwen niet markant genoeg ontwikkeld.
• Gebrek aan pigment.
• Overheersen van de witte haarkleur (Bont is niet toegestaan). 

HOOFDAFMETINGEN:
Reuen Teven
Lichaamsgewicht 34 kg 25 kg
Schouderhoogte 60-66 cm 58-62 cm
Hoofdlengte 28 cm 23 cm
Schedellengte 14 cm 11 cm
Schedelbreedte 12 cm 10 cm
Neusruglengte 13 cm 11 cm
Borstkorfbreedte 20 cm 18 cm
Borstdiepte 32 cm 30 cm
Romplengte 66 cm – 73 cm 63 cm – 70 cm
Borstomvang achter de ellebogen 80 cm 72 cm
Borstomvang bij de laatste rib 72 cm 64 cm 

HOEKINGEN:
Tussen schouderblad en opperarm 110°
Tussen Opperarm en onderarm 135°
Tussen bekken en bovenbeen 110°
Tussen bovenbeen en onderbeen 125°
Tussen onderbeen achtermiddenvoet 135°

N.B. : Reuen moeten twee duidelijk normaal ontwikkelde teelballen hebben, die zich volledig in de scrotum bevinden.